Jelmer Uitentuis

project- en programmaontwikkeling

menu

Lara Staal

January 29, 2017

Lara Staal is programmeur bij theater Frascati in Amsterdam. Ze programmeert daar voorstellingen, festivals, maar ook eigen programma’s. Lara begon met de docentenopleiding aan de theaterschool en verdiepte zich daarna met een studie theaterwetenschappen en een master dramaturgie. Via via werd ze voor een project van Frascati gevraagd en is daarna in vaste dienst geraakt. Het weekend voordat ik met haar sprak, vond Het Congres van de Utopie plaats, dat ze samen met haar broer, beeldend kunstenaar Jonas Staal, maakte.

Vertel! Je laatste programma.

Dit is het radicaalste programma wat ik tot nu toe gemaakt heb. Jonas en architect Paul Kuipers hebben een maquette van Constant Nieuwenhuis geherinterpreteerd en op basis daarvan een ruimte in Frascati 1 gebouwd. Deze ‘ruimte in een ruimte’ maakte het mogelijk om na te denken over alternatieve voorstellen voor de samenleving. Er werden voorstellen gedaan in verschillende vormen en disciplines, we hadden twee moderatoren en zestien sprekers aanwezig, met een diverse achtergrond: schrijvers, kunstenaars, politici. Ik ben heel tevreden over hoe het gegaan is.”

Hoe verhoudt zich dit tot het eerste programma dat je voor Frascati maakte?

Frascati wilde een programma over internationaal recht maken en vroegen mij dat te doen. “International law… Whose law?” was in mei 2013, en één van de interessantste dingen die ik ooit gedaan heb. Ik wilde de complexiteit van het internationaal recht en internationaal strafhof, een zogenaamd ‘oog van rechtvaardigheid’, onderzoeken. Van wie is het internationaal recht, op wie is het van toepassing, wie beheert het en wie heeft er echt iets aan? Ik had een debat en lezing georganiseerd, en journalisten, kunstenaars en filmmakers uitgenodigd. Ook de hoofdaanklager van het internationaal strafhof was te gast. Mijn plezier zit namelijk vooral bij het inhoudelijke, contextuele, interdisciplinaire. Om verbinding tussen een voorstelling en de wereld daarbuiten te verdiepen of onderstrepen door de vervlechting van ‘kunst’ en ‘inhoud’. En dat kun je zien in zowel mijn eerste als laatste programma.”

Je zoekt dus steeds verbinding tussen ‘het’ inhoudelijke, ‘het’ wetenschappelijke en ‘het’ activistische Je bent begonnen in de toneelwereld, en je werkt nu ook voor een theater. Zie je jezelf ooit voor een niet-theater werken? Een debatcentrum, televisie, …?

Ik heb daar vaak naar verlangd,maar ben er ook gedeeltelijk op teruggekomen, omdat ik me gerealiseerd heb hoe nauw ik me verbonden voel met de kunsten. Ik houd heel erg van gesprekken, lezingen en discussies, maar voel ook de beperking daarvan: het gevaar is al snel dat je enkel talking heads hebt die met dezelfde standpunten naar huis gaan als waarmee ze binnenkwamen. Kunst daarentegen zet altijd iets in beweging: het gebruikt en handelt met de verbeelding, het schept een ‘wereld’. En trouwens, ik geloof eigenlijk niet zo in een scheiding tussen theater en ‘inhoud’. Ik denk dat hetgeen dat ik maak feitelijk niet veel verschilt van wat een schoolleraar, museumrondleider of demonstrant doet: allemaal creëren we een kader, waarin we even pogen de tijd stil te zetten. We nemen iets uit de ‘echte’ wereld onder de loep om het beter te begrijpen om het vervolgens te kunnen veranderen.”

Klinkt idealistisch. Wat is je missie, je doel, wat wil je bereiken?

Dat soort vragen stel ik mezelf ook vaak: was dit het meest diverse publiek? Zaten we niet te preken voor eigen parochie? Waarom is dit programma beter dan alle alternatieve opties in Amsterdam vanavond? Wat is de concrete impact van mijn programma? Soms is dat ook echt een strijd, hoor. Maar toch heb ik het idee dat ik als programmamaker bij kan dragen aan de wereld. Ik wil betekenis geven aan de wereld om ons heen en condities scheppen om daarnaar te kunnen handelen.”

Je had het over ‘preken voor eigen parochie’. Hoe voorkom je dat, hoe bereik je het voor jou juiste publiek?

Bij Het Congres van de Utopie was ik heel tevreden met het publiek. Het bestond uit activisten, kunstenaars, politici en academici. In het begin voelde je wrijving tussen de verschillende verwachtingen van dat diverse publiek. Als programmamaker wil je altijd iedereen blij maken, terwijl wat hier gebeurde uiteindelijk veel interessanter was, omdat er echt iets in beweging werd gezet. Naar mijn idee kwam dit door de verbinding tussen de verschillende disciplines en mensen die gaandeweg de dag ontstond. Verbinding die ook ontstaat door het juist oneens te zijn. 

Vinden van ‘nieuw publiek’ is een uitdaging en ik ben ook constant bezig daar strategieën voor te ontwikkelen. Het ‘instituut Frascati’ draagt natuurlijk iets uit: sommige mensen komen daar gemakkelijk terwijl anderen Frascati niet zien als een plek waar zij ‘thuis’ zijn..”

Wat betekent ‘het instituut Frascati’ voor jouzelf als programmamaker? Welke vrijheid heb je ten opzichte van Frascati en haar stempel. 

Dat wisselt. Soms is heel duidelijk dat we als team, weliswaar met mijzelf als coördinator, iets maken: dan is het echt een gezamenlijk programma. Samenwerking werkt vaak prettiger, maar het maakt soms programma’s minder scherp omdat er eerder sprake is van compromissen. Ook kan het een gefragmenteerd project worden: een combinatie van ideeën van verschillende mensen die soms wat toevallig kan aanvoelen. Ik wilde daarom meer zelfstandig werken, maar de grap is dat ik uiteindelijk vaak in samenwerking met iemand anders dingen maak, bijvoorbeeld nu met Mezrab of met Jonas Staal voor het Congres van de Utopie. Ik ben ervan overtuigd dat samenwerking met iemand met een andere achtergrond, verrijkend is. Het is een manier om gaten tussen gesegregeerde werelden te overbruggen.”

Hoe pas je dit idee toe op de mensen die je uitnodigt/vraagt/gasten?

Ik wil graag mensen uit andere kringen samenbrengen, omdat er zo allianties tussen gescheiden werelden kunnen ontstaan. Een gevarieerd publiek in Frascati maakt de beleving van een congres of voorstelling vaak vele malen interessanter. De variatie aan gasten zit ‘m in gender, culturele achtergrond, generatie, discipline en bekendheid. Gevestigde namen genereren immers makkelijker publiek, maar zitten soms ook vast in hun standaard verhaal. Nieuwe/jonge/onervaren mensen hebben soms meer engagement. Dezen bij elkaar brengen genereert nieuwe netwerken en inzichten.”

Wat is dan jouw handtekening?

Alles wat ik doe heeft een duidelijke politieke lading. Waar ik kan politiseren, doe ik dat: ik wil mensen uitnodigingen hun standpunten te articuleren, en de ideologische basis waar vanuit ze handelen inzichtelijk maken. Dit probeer ik te bereiken door in mijn programma’s verschillende disciplines als kunst, activisme, politiek en wetenschap samen te brengen.”

Dus: Wat maakt een goed programma tot een goed programma?

Mensen moeten iets geleerd hebben, nieuwe verbanden en inzichten ontdekt hebben. Dat is echt een harde eis. En dat leren zie ik dan heel breed. Het gaat er om niet te reproduceren wat al bestaat, maar het moment en de ruimte te benutten om een uitwisseling van visies aan te gaan. Uiteindelijk hoop je ook dat een programma tot actie kan aanzetten, maar wat mij betreft is denken ook handelen, dus die scheiding is niet zo makkelijk te maken.”

Welke tips zou je een beginnend programmamaker kunnen geven?

Meer tijd is niet altijd meer verdieping, wat ik zelf ervaren heb toen ik net begon en een drie-en-een-half uur durend programma maakte. De moderator is de sleutel voor de diepgang van de avond, en ik vind vaak iemand met een specifiek profiel interessanter dan een zogenaamde neutrale gespreksleider.

foto credits: Michiel Cotterink