Jelmer Uitentuis

project- en programmaontwikkeling

menu

Caspar Nieuwenhuis

June 20, 2017

Caspar Nieuwenhuis is artistiek directeur van Likeminds. Likeminds is “producent en netwerk van meerstemmige theatermakers die de stad gebruiken als inspiratiebron en podium.” Daarnaast schreef Nieuwenhuis onlangs een uitgebreid essay over de dramaturgie van deze tijd voor de HKU.

Ben je eigenlijk programmamaker?
Ik beschouw mezelf inderdaad als programmamaker. Volgens mij laat je als programmamaker anderen excelleren. Je bent de schakel tussen het artistieke verhaal van de maker en de praktische uitwerking als productie. Van oorsprong ben ik theaterwetenschapper en dramaturg, die achtergrond gebruik ik ook. Maar mijn rol bij Likeminds is onder andere formatontwikkelaar, ik maak programma’s die anderen verder kunnen ontwikkelen in de publieke ruimte.

Hoe ben je als programmamaker begonnen?
Na mijn studie belandde ik bij De Nieuw Amsterdam (DNA). Daarnaast was ik mede-eindredacteur en regisseur van De Brakke Zondag. En ik was projectleider van het eenakter-festival De Grondwet voor DNA, De Balie, De Melkweg en Theater Belevue. Iedere keer was het de combinatie van theater en maatschappij die mij interesseerde, en waardoor het steeds duidelijker werd wat mijn rol was. Die rol is het verbinden van die twee werelden. Daarin zit een journalistiek onderzoekend deel, namelijk het doorvragen naar de interesse in wat een andere doet of beweegt. En er dan een artistieke vertaling van geven, zodat er ook een uitvoering van komen.

Wat is dan je hoogte- en je dieptepunt?
Mijn hoogtepunten waren de voorstelling “Jetje en het dansorkest”, “de Brakke Zondag” en eigenlijk al het werk dat we bij Likeminds doen. Mijn dieptepunt was de herneming van “Tsi Tsi Tsigane”, een voormalig locatie-voorstelling op Oerol die we daarna in te korte tijd, met te weinig mensen en middelen naar de grote zaal probeerden te bewerken. Overmoed. Dat was ontzettend leerzaam.

Verbinder tussen theater en maatschappij, hoe doe je dat bij Likeminds?
Ik ben hier begonnen in januari 2009. Dat was het moment dat Likeminds voor het eerst door de gemeente Amsterdam en het Fonds Podiumkunsten meerjarig gefinancierd werd. De afgelopen jaren hebben Jarrod en ik van Likeminds een breed en divers makersplatform gemaakt. Met een jongerenafdeling (niet voor acteurs maar voor makers), een werkplaats voor nieuwe makers die hun artistieke signatuur willen ontwikkelen, en een productieplek voor makers die een steengoed idee hebben.
De verantwoordelijkheid leggen we dus bij de maker. Ons idee is wel dat de maker, en ook het publiek divers en eigenzinnig zijn. Echt behorend tot de stad, en ook geïnspireerd door de stad. Dat is een inhoudelijke opgave, die bij al onze projecten hoort. Die inhoudelijke visie heeft nog een effect. Bij Likeminds gaat het om wat er buiten het theater speelt, en niet per se in het theater. Dat maakt het ook mogelijk om buiten het theatergebouw theater te maken.
Een nieuwe tak van Linkeminds is bijvoorbeeld een technologisch lab, waarbij theatermakers de technologisering als onderwerp en de nieuwste technologie als theatraal element kunnen gebruiken.

Hoe valt die artistieke visie eigenlijk samen met dat essay dat je geschreven hebt?
In dat essay gaat het over de waarde die we hechten aan instituties. Kunstbeleid wordt nu gemaakt op basis van wat er al is. Dat zijn de theaters, festivals, gezelschappen, dat is het huisjespark dat er al staat. Oftewel, kleine en grote instituties. Maar er is een geheel nieuwe publieke ruimte aan het ontstaan. Neem alles met betrekking tot VR, AR en Mixed Reality. Dat is een nieuwe publieke ruimte, buiten het bestaande huisjespark. Theater is de manipulatie van de publieke ruimte. Waarom dan niet die nieuwe publieke ruimte manipuleren?
We hechten er als theeatersector te veel aan dat theater plaatsvindt in het theater. Terwijl dat helemaal niet hoeft. Het kan, sterker, het moet, ook plaatsvinden in de nieuwe publieke ruimten.
De afgelopen jaren maken critici, kunstenaars en beleidsmakers een zeer strikte scheiding tussen kunst en maatschappij. Die hebben we zelfs in beleidskaders omgezet. Maar ik begrijp die scheiding niet. Voor mij bestaat kunst per definitie in de publieke ruimte, de maatschappij, omdat het deze in beweging probeert te brengen. Ik vind dat je moet zijn waar het gebeurt, en ik vind dat je werk goed moet zijn. Dat zijn veel belangrijkere uitgangspunten.

Daarmee protesteer je ook tegen het subsidie-systeem dat in Nederland bestaat.
Ja. Want dat gaat te veel uit van meetbare doelen. En het veroorzaakt dat mensen daar ook hun voorstelling op gaan aanpassen. Vooraf moet een theatergroep of kunstenaar al precies weten wat ze gaan doen en hoe, en dat moet later ook nog eens verantwoord worden. Dan is kunst een nutsmiddel, een instrument van een partij politieke agenda. Dat neigt me te veel naar volksverheffing en emancipatie als doeleinden. Wat mij betreft zijn dat hooguit enkele effecten van kunst.
Op het moment dat het subsidiesysteem op een partijpolitieke agenda gebouwd is, is de kunstensector afhankelijk van die agenda en het daarbij behorende meetsysteem. Daardoor zijn we als kunstenaars helemaal embedded in een cultuurpolitieke dynamiek. We zijn verslaafd aan dat systeem, door het systeem. En dat gaat generatie op generatie door. Daar moeten we vanaf.

Nu heb je het over kunst, maar geldt dat ook voor programmamaken?
Als programmamaker heb je met hetzelfde te maken. Je verbindt het maatschappelijke met wat er op het podium plaatsvindt, waarbij dat podium echt overal kan zijn. Dan moet je naar buiten (als er al een binnen is), en dan moet je maken wat jij vindt dat nodig is, in de vorm die nodig is, en waar dat nodig is. Je zou eigenlijk lak moeten hebben aan de eisen van subsidiënten die jou belemmeren in het maken van de meest relevante programma’s. Maar ook hiervoor zou het subsidielandschap wel eens flink op de schop moeten gaan.