Jelmer Uitentuis

project- en programmaontwikkeling

menu

Britte Sloothaak

January 31, 2017

Britte Sloothaak is assistent-conservator bij het Stedelijk Museum Amsterdam. Na haar bachelors Art and Culture Studies aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam, deed ze een minor Kunstgeschiedenis en een master Museum Conservator aan de VU in Amsterdam. Inmiddels werkt ze al vier jaar bij het Stedelijk, en organiseert daar onder andere programma’s en lezingen die aansluiten bij tentoonstellingen.

Waarom maak jij programma’s?
Programma’s en lezingen zijn vormen waarmee je kunst context biedt en op een andere manier bij het publiek krijgt dan bijvoorbeeld via tentoonstellingen. Ik zie een curator als mediator tussen kunstenaar en publiek. De taak van de kunstenaar is om kunst te maken, mijn taak is het om een omgeving te creëren waarin die kunst het best tot zijn recht komt en goed begrepen wordt door het publiek. Dat kan op heel veel verschillende manieren: door het maken van tentoonstellingen, een publicatie of door een programma te organiseren.
Daarbij zijn er twee belangrijke overwegingen. Als eerste: de ruimte. Sommige ruimtes lenen zich beter voor het tonen van sculptuur en schilderijen, dan voor het tonen video en performance, en niet iedere ruimte is geschikt voor een programma met lezingen en debatten.
Ten tweede: het publieksbereik van de locatie. Het Stedelijk Museum heeft bijvoorbeeld te maken met toeristen die één keer in hun leven komen, of Amsterdammers die herhaaldelijk komen en variatie willen zien, en ook kunstenaars, academici en studenten die op zoek zijn naar verdieping. Ik wil programma’s maken voor verschillende publieken.
Het vinden van de juiste context en vorm verschilt per onderwerp, kunstenaar of kunstdiscipline. Dat betekent dat ik eerst heel veel onderzoek moet doen naar het werk, met de kunstenaar moet praten om zijn of haar ideeën te doorgronden, en daarbij ook nog rekening houden met het publiek. Een programma van lezingen, films en performances kost altijd minder voorbereidingstijd en dan het samenstellen van een tentoonstelling. En ik kan met een programma makkelijker inspringen op de actualiteit.

Het lijkt op een heel zelfstandig proces. Jij alleen met de kunstenaar. Maar je werkt bij een gigantisch instituut. Wie bepaalt waar jij het over gaat hebben?
Ik doe veel zelfstandig onderzoek, maar moet ook kunnen samenwerken. De grote lijnen van het programma worden bepaald door Beatrix Ruf (directeur van het Stedelijk), in samenspraak met de inhoudelijke teams en hun managers. Ik krijg de opdracht om ideeën te ontwikkelen bij de aangekondigde tentoonstellingen of de collectiepresentaties. Mijn voorstellen leg ik altijd voor aan de curator of conservator van de betreffende tentoonstelling.
Wanneer die akkoord zijn met de inhoud, dan overleg ik met de kunstenaar en daarna met de vaste producent voor het publieksprogramma over de vorm. Die producent is altijd betrokken in het voortraject, waardoor vorm en inhoud meestal gelijktijdig opgaan. De eindredactie wordt gedaan door mijn leidinggevende, Margriet Schavemaker, hoofd Educatie, Interpretatie en Publicaties.

Hoe kom je dan aan je gasten, en waarom benader je juist hen?
Een programma heeft volgens mij een mooie mix van gasten. Dus: man-vrouw, jong-oud, en is zowel lokaal als internationaal. Het gaat trouwens niet alleen om ‘uiterlijke diversiteit’, maar ook om een diversiteit aan meningen, expertise en dus inhoud. Ik wil graag deskundigen aan tafel met vernieuwende posities ten opzichte van hedendaagse ontwikkelingen binnen de beeldende kunst en samenleving. Zo zet ik bijvoorbeeld vaak een aanstormend, jonger talent tegenover een inhoudelijk, ervarener zwaargewicht. Dat de sprekers kritisch zijn is ook belangrijk.
Ik doe veel literatuuronderzoek voor het vinden van experts, bezoek veel instellingen buiten het Stedelijk waar ik veel getalenteerde kunstenaars, curatoren en academici ontmoet en mijn netwerk uitbreid.

Heb je ooit een gast gekregen waarvan je dacht: dat lukt nooit? En hoe heb je dat toch voor elkaar gekregen?
Ja, dat zijn vaak beroemde kunsthistorici of kunstenaars die al jaren door studenten en kunstenaars gevolgd worden, en op die manier zelf een belangrijke plek hebben binnen de kunstgeschiedenis. Voorbeelden zijn Professor Gayatri Spivak (Columbia University), en kunstenaar Martha Rosler (New York). Dat zijn echt iconen die vanwege hun leeftijd en soms ook gezondheid niet vaak meer reizen. Voor hen moet het dan ook echt interessant zijn om één dag te komen spreken in Amsterdam. Daarvoor moet je een inhoudelijk sterk programma aanbieden en ook, zoals in het geval van Martha Rosler, samenwerken met relevante partijen zoals de Universiteit van Amsterdam en Het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD). Daarnaast: hospitality is key. Ontvang je sprekers als gasten, zorg voor een goede organisatie van reis en verblijf, zorg dat hij is zij zich welkom voelt bij je organisatie.

Noem eens wat hoogte- en dieptepunten uit je programma-carrière.
Ik vond het dieptepunt uit mijn carrière de keer dat ik na een groot programma buitenkwam, onder de luifel van het Stedelijk, en merkte dat ik de schoonmaak was vergeten in te lichten… Stond ik daar in mijn jurk -met m’n eerste twee stagiaires én m’n collega in tweedelig pak – met een vuilniszak onder de luifel van het Stedelijk om middernacht te prikken, haha.
Het hoogtepunt was mijn samenwerking met kunstenaar Ed Atkins. Hij had op dat moment een grote videotentoonstelling in het Stedelijk en hij reageerde heel positief op mijn idee om een programma samen te stellen. Waarin we niet per se zijn tentoonstelling toelichtte, maar dat ging over zijn bijzondere positie tussen performance en video in (hij maakt bijvoorbeeld veel gebruik van avatars en muziek in zijn films). Het resultaat was het programma Performance Capture een twee-daags programma met voordrachten, lezingen, zang en een filmprogramma dat Ed Atkins en ikzelf als hosts presenteerden. De gastsprekers waren goede vrienden van hem, die zelf werkzaam zijn als kunstenaar of curator, en op die manier een artistieke bijdrage leverden aan het programma.

Wat maakt een goed programma tot een goed programma?
Een goed panel, en strakke moderatie. En voor ons, we zijn immers een museum, moet het beeldmateriaal relevant en kwalitatief goed zijn. Zelf heb ik een voorliefde voor hybride vormen van programmeren, waarbij theorie, debat, performancekunst en filmvertoningen elkaar afwisselen, zoals toen tijdens het programma in samenhang met de Ed Atkins tentoonstelling.

foto credits: Warsteiner.